Zeeslag

Ooit treinde ik naar Oostende om te dineren,
m’n vezels schreeuwden: ‘Zo relatief is tijd nu
ook weer niet!’, ging toch zitten, staarde er
naar fritten, tomaat-garnaal en de zee.

Uren gesleten om daar retour te geraken
waarvan vele seconden vaarwelwaarts; wij
twee, het buurtplein toen, onverdraaglijk droef
weggedreven uit ons naar mezelf en de zee.

Laatst zei ik tegen mijn buurmeisje – pas
uiteen, de spullenkluwenfase, twee levens
vervlochten, haar ex nu skimonitor in Oostenrijk –
‘Het komt goed, hoe dan ook.’ En de zee,

als een volgehouden aarzeling tussen klank en
betekenis, zichtbaar in haar scharlaken ogen
roder dan vermiljoen, golfsloeg naar sneeuwval.
Hier rest mijmerruimte, klassiekers en altijd de zee.

  

Campus

De eeuw een prille twintiger – ook dit jaar weerklinkt
een coda van voornemens, drinkgelag en wensen;
gezondheid, blijvend mee zijn met veranderingen,
vreugde en onvergetelijk oerdegelijk onderwijs.

Een evaluerend delibererend proclamerend leraar
komt soms niet verder dan ‘doe zo voort’ of ‘tracht
je alsnog te herpakken’, weet doch vergeet bijwijlen;
les mogen geven aan de jeugd is een hele grote eer.

En zij doen dat goed, meneer – zie ze groeien, langs
taken en toetsen, smerige postkoetspoets en dwars
doorheen het leerplan, daarboven kringelt rook, nee,
wij dulden geen gevape maar laten niemand vallen.

Jullie kunnen al zoveel, ja, leer vooral niet af om te
dromen te streven te hopen te feesten, de meeste
jonge mensen komen armen te kort om te geven –
de toekomst bruist hier, neem ons mee naar vandaag.